Een portret van de aanstichter

Michel voor camera

Met zijn vinger gaat hij over het rubber op de achterkant van de camera. Hij duwt er in, krast met zijn nagels. Fronst. Hij vloekt binnensmonds. Hij zegt zacht ‘Hier baal ik van’.
Mijn vader kijkt me met een scheef lachje aan als hij ziet dat ik hem film. “Ik wist helemaal niet dat dit gefilmd moest worden.” 

“Het rubber vergaat. Net alsof er een chemische reactie ontstaat en dat is zonde want ik heb hem altijd netjes bewaard.”  Michel (53) is mijn vader, universitaire docent aan de RUG, historicus, Afrikadeskundige en daarnaast een fotografie liefhebber, zoals hij zelf zegt. Hij is hobbyfotograaf en spaart camera’s, voornamelijk van het merk Minolta. Hij is de aanstichter van mijn liefde voor fotografie.  

Terwijl hij de grote zwarte camera neerzet, pakt hij een klein exemplaar. Zilver met een kleine lens. Een zwarte veel modernere viewfinder en een waterpas er boven op. Hij haalt de lensdop er af, begint wat te draaien aan de lens en kijkt vervolgens door de viewfinder. “Uit 1933, een echte” zegt hij trots met een grijns om zijn mond. “Maar de lens niet, die is niet zo oud.”

Waardoor ben je gaan fotograferen?
“Omdat mijn vader (mijn opa, red.) foto’s maakte en hij mij, toen ik een jaar of 10 was, een camera gaf. Een Lubitel. Die heb ik nog wel ergens staan, maar die zit in een doos. De sluiter is kapot, althans hij plakt. Daarna kreeg ik van mijn vader z’n oude camera, een Practica. Die staat nog steeds in Almelo. Mijn vader had toen een Minolta 303, een wat uitgebreider type als die van jou. En toen ik van school ging kreeg ik de SRT 101. Net als die van jou. Dat is een van de beste camera’s ooit gemaakt.”

de leica camera
Leica camera uit 1933

“Ik fotografeerde toen ik de 101 kreeg al best wel veel. Ik vond net als mijn vader de techniek heel leuk. Niet echt de kunst van fotograferen, maar meer de techniek van fotografie. Ik ben ook nog steeds niet een heel goede fotograaf, maar ik heb wel de techniek. Pas veel later ben ik gaan sparen.”

Ik draai mijn hoofd schuin, hij moet lachen. Ik vraag hem hoeveel camera’s hij heeft. Hij lacht; “in totaal?” “Ja in totaal, maar eerst Minolta’s”, antwoord ik. “Stuk of 25, 30 ofzo. Valt eigenlijk best wel mee. In totaal iets van 50.”  

Mis je opa?

Ja ik mis hem soms wel. Het was altijd erg leuk om met hem te praten over camera’s. Hij had niet meer verstand van camera’s dan mij, maar hij had wel heel veel verstand van de oude techniek. Van het ontwikkelen. Van chemische dingen, van doka ruimtes. Dat deed hij voor zijn werk.

Opa en papa bij opa op het werk. Ongeveer in 1965.

Opa en papa bij opa op het werk. Ongeveer in 1969.

Voor ik het weet begint mijn vader uit te leggen hoe mijn opa thuis foto’s ontwikkelde in een klein kamertje waar het lavet in stond, omgebouwd tot donkere kamer. “Dagen lang stond hij daar grootformaat negatieven te maken voor zijn werk.”

Ook begint hij over een moeilijk proces wat mijn opa thuis deed. “Hij drukte foto’s af op koperplaten door gebruik te maken van chemicaliën.” Ik kijk wat raar op en vraag of dat niet gevaarlijk was lachte hij. “Hartstikke gevaarlijk, lijkt mij. Maar het werd nog gevaarlijker. Buiten op het balkon brandde hij die foto’s in de koperplaat door gebruik te maken van zoutzuur.”  Met grote hand en armbewegingen beeldt hij uit hoe het ging. 

Waarom fotografeer je bijna nooit meer analoog?
Dat is teveel werk. Maar ik kom er wel weer. Elke keer denk ik, ik moet dit cameraatje meenemen, maar dan doe ik het toch niet. Vooral door wat je er allemaal voor moet doen. Omdat ik niet zo’n heel goede fotograaf ben is het ook nog extra bewerkelijk. Met digitaal kun je veel sneller werken. Desnoods gooi je de foto nog even door Photoshop.

Wat heeft je voorkeur; digitale of analoge fotografie?
Dat heeft allebei zijn eigen karakteriitiek.
Bij analoog vind ik het mooier dat je de kwaliteit van de afbeelding kunt beïnvloeden door het soort papier dat je gebruikt, de korrel die je hebt. Negatief en emulsie. En dat is bij digitaal heel moeilijk, HOEWEL ik een digitale camera heb waar dat wel mee lukt. Een korrel vind ik mooi. Digitaal was het vroeger nog zo dat je soms de pixellijnen zag, dat is nu helemaal niet meer zo. Digitale foto’s worden heel scherp. Het heeft allebei z’n charme.

Vind je het jammer dat digitale foto’s tegenwoordig bijna perfect zijn?
Analoge fotografie heeft zijn charme. Ik vind het fantastisch: 150 jaar geschiedenis van fotografie, ik ben ook een beetje historicus daar in. Hoe je met licht kunt tekenen op papier.

Heeft het iets magisch?
Fotografie is altijd magisch. Het houdt iets vast wat werkelijkheid is maar tegelijk ook niet. Het is heel tijdelijk. Het bestaat al niet meer.

Als ik niet uitkijk begint hij meteen over de camera’s die voor hem uitgestald liggen. Over de lenzen en de lichtmeters. Over wat er aan kapot is en of het te repareren valt. Daar moet je mee uitkijken als je weinig tijd hebt. Als je veel tijd hebt moet je hem laten, dan vertelt hij interessante dingen. Heel veel interessante dingen.

Michel Doortmont

Vind je het leuk dat ik analoog ben gaan fotograferen?
Ja, omdat ik je dingen kan vertellen en omdat jij het leert. Maar ook om er weer over na te denken. De enige andere met wie ik er over kan praten, is de Ghanese fotograaf Nii Obodai en hij woont nogal ver weg.

Er zijn ook nauwelijks mensen met wie ik hier over wil praten. Mensen die echt serieus hobby fotograferen, zonder dat het zeikerds zijn. Er zijn hele volksstammen waar ik gewoon niets mee te maken wil hebben. Ze zijn niet bezig met wat ik leuk vind, ik vind ze een beetje doorgeslagen. Het moet wel leuk blijven, een beetje humor houden.

De reden dat hij Minolta’s spaart is simpel. Met zijn bril kan hij niet scherp zien door de zoeker van een Nikon. Vervolgens heeft hij Canon nooit geprobeerd.

Heb je nog een tip?
Ga heel veel fotograferen. Gewoon doen, heel veel doen.

Ook als ik iets simpels vraag krijg ik een technische uitleg alsof ik met een Wikipedia pagina spreek. Interessant, super interessant zelfs. Maar uitkijken, wat je vraagt.

Advertenties